|
Fragment uit deel één van het boek
Een nieuw bestaan
De volgende dag lopen we zwijgend naar de plek waar je
moeder werd begraven en na anderhalf uur bereiken we een rivier met
geelbruin water. Het is zo merkwaardig dat het duistere bruine water zo
kalm is, iets vriendelijks heeft. Op het moment dat de dorpsbewoner de
plaats aanwijst waar hij je moeder begroef, vliegen de vogels op, het
wordt stil, heel stil en je gezichtje verbleekt. Je moeder rust hier,
wij hebben net als deze rivier nog een lange weg te gaan. ……… Deze
rivier stelt me vragen. Hoe kan ik je behoeden, opvangen en begeleiden
als straks je emoties als een waterval op je neerstorten. Als je dreigt
te verdrinken in een zondvloed van emoties? Is deze rivier ook niet een
symbool van beweging? Jouw bestaan heeft iets in beweging gebracht, zei
je oom op een dag. Is het ook niet een weg vol schoonheden, pijn en
botsingen met de natuur, anderen en jezelf?
We gaan ervoor. Ik zal je helpen ervoor te zorgen dat
jouw rivier ook kan stromen. Ik zal je leren zwemmen in zoet en zout
water. Je zult zelf ontdekken wat je wilt leren kennen en wat je wilt
leren kunnen, je zult je eigen grenzen en die van een ander herkennen en
respecteren.
En niet te vergeten hoop ik dat je leert ontdekken wat
niét bij je hoort.
We maken een trektocht door de bergen. ……….
We zijn stil en kijken tussen de dwarrelende
rododendronblaadjes naar de voortdrijvende wolken, en dan zeg je
onverwacht tegen me: ‘Vroeger was ik van niemand, nu ben ik van
mezelf. Ik ben een Nederlandse Nepalees.’
Jouw ogen zien meer dan de mijne
Jouw ogen kijken anders dan de mijne.
Jij ziet de wereld anders dan ik.
Jij heet Kumari, jij bent Kumari!
Fragment uit deel twee
De kinderen van de Kumari-school
Dickshya:
Vader is dood, moeder weggelopen. Grootmoeder zorgde
voor haar.
Vroeger werkte ik bij anderen. We hebben een héél klein stukje land.
Ik heb een broertje en verzorgde hem. Mijn moeder werkt bij anderen.
Ik heb hier leren lezen, rijst planten, land ploegen,
schoonmaken van potten en pannen en leren spelen. Heel veel nieuwe
dingen leer ik hier.’
Kijk wat een zachte aarde
Dit is ons land
Ons land is arm
Toch houden wij van haar
Dil Bahadur, mijn naam betekent ‘hart’
Moeder van Dil is doofstom. De vader is doofstom en
gehandicapt.
‘Wij zijn kinderen van de bergen. Daar laten we onze
jaks grazen. Zo gaan de dagen voorbij. Onze school bevindt zich in de
mist. Lezen en schrijven is wel moeilijk. Als je letters schrijft in de
sneeuw, gaan ze smelten. De Kumari-school, die in de mist ligt, brengt
onze verder. Onderwijs spoort ons aan verder te ontwikkelen. Ik heb
gedroomd dat ik dokter zal worden.’
Maya Kumari
Als ik een vlinder was
Kon ik de honing van de bloemen opzuigen
Als ik een bloem was
Kon ik overal mijn geuren verspreiden
Als ik regen was kon ik iedereen water geven
Als ik een rivier was liet ik iedereen baden
Als ik een plant was maakte ik een groen bos
Fragment uit deel drie
Een leven onder de boddhibomen
Soms waait het, soms regent het, meestal schijnt de
zon.
Vandaag is het een dag zoals de voorafgaande 4015 dagen sinds ik hier
woon.
Mijn vaders naam weet ik.
Mijn moeders naam ben ik in de loop van de tijd vergeten.
Ik hield veel van mijn moeder, het was een liefde
zonder veel woorden. In haar ogen kon ik lezen dat ze te veel van mij
hield. In de manier waarop ze mij het eten aanreikte, zag ik tederheid,
die alleen voor mij bestemd kon zijn. Mijn vader was allang dood.
Op een keer, het was een halfjaar voordat zij stierf,
was mijn moeder alleen in de hut. Ik kwam wat eerder dan gewoonlijk
thuis met de geiten, toen ik haar stem hoorde, ze zong.
Ze zong over mij, de liefde die ze voelde voor haar
enige zoon. Ik joeg de geiten weer de heuvels in, liep zachtjes naar de
achterkant van de hut, hurkte neer en luisterde naar haar lied over mij.
Ik liep haar wereld binnen, zonder dat zij dat wist. Zij zong, ik weende
omdat zij haar liefde voor mij bezong. En omdat zij ziek was.
|